Kadero Kadero
Kadero Kadero
Terug naar Kennis

Lintvoegmeting en loodmeting: zo reken je scheefstand om naar 1:X

9 min lezen
Lintvoegmeting en loodmeting: zo reken je scheefstand om naar 1:X

Met een lintvoegmeting, ook wel lintvoegwaterpassing, meet je hoe ver één horizontale voeg langs de gevel uit het waterpas loopt. Met een loodmeting meet je hoe ver de gevel voorover of achterover helt. In beide gevallen deel je het verschil in millimeters door de afstand waarover je meet. Dat geeft de scheefstand in mm/m, en die reken je om naar een rotatie als 1:X: de afstand gedeeld door het verschil, allebei in millimeters. Ligt de voeg aan het ene eind van 2,9 meter gevel 15 millimeter hoger dan aan het andere, dan is dat 5,2 mm/m, en 2900 gedeeld door 15 geeft 1:193.

Beide metingen horen bij het fase 0 funderingsonderzoek, ook wel QuickScan of verkennend funderingsonderzoek genoemd, met de methode en de klassen uit de richtlijn van het KCAF. Of je een fase 0 zelf mag uitvoeren en wat erkenning daarbij betekent, staat in dat artikel. Hieronder lees je hoe je ze uitvoert, hoe je rekent, welke klasse bij welke uitkomst hoort en wat er in je rapport moet.

Alleen narekenen? Vul je meetpunten in de rekentool voor scheefstand in. Je ziet per meetvak de rotatie, de klasse en het maatgevende meetvak.

Waarom je een lintvoeg meet

Een lintvoeg is een horizontale voeg in het metselwerk. Bij het bouwen lag zo’n voeg vrijwel waterpas. Zakt de fundering op de ene plek meer dan op de andere, dan zakt de gevel mee en loopt de voeg niet meer recht. Door de hoogte van dezelfde voeg op een paar punten langs de gevel te meten, zie je hoeveel het pand ongelijk is gezakt over de lengte.

Het gaat dus nooit om de absolute hoogte van een punt, maar om het verschil tussen twee punten, gedeeld door de afstand ertussen. Een pand dat overal evenveel is gezakt, laat in de lintvoeg niets zien. Een pand dat aan één kant meer zakt, wel.

Een lintvoegmeting uitvoeren

  1. Kies één doorlopende lintvoeg. Neem een voeg die over het hele geveldeel doorloopt en die je op elk meetpunt goed kunt bereiken. Volg steeds dezelfde voeg, ook waar een kozijn of raamdorpel hem even onderbreekt.
  2. Zet je meetpunten uit. Meet minimaal drie punten per geveldeel. Leg ze bij voorkeur bij de bouwmuren en de hoeken van het pand. Zo meet je het verschil in zakking tussen de dragende delen van het pand, en niet de oneffenheden van het metselwerk ertussen. Geef elk punt een naam, bijvoorbeeld A, B en C vanaf je nulpunt.
  3. Meet de hoogtes. Meet met een slangenwaterpas of een laser de hoogte van de voeg op elk punt ten opzichte van één referentie. Noteer het verschil in millimeters, met een plus of min.
  4. Meet de afstanden. Meet de afstand van elk punt tot je nulpunt, langs de gevel. Een gemeten afstand is beter dan een afstand van tekening, maar een plattegrond helpt om je punten later terug te vinden.
  5. Maak foto’s. Fotografeer elk meetpunt zo dat je het bij een herhaling terugvindt. Een stukje tape op de voeg op de foto werkt goed.

Reken daarna per meetvak, dus per paar naast elkaar gelegen punten: A naar B, B naar C, enzovoort.

Scheefstand berekenen: van millimeters naar 1:X

De berekening heeft twee stappen:

  1. Scheefstand in mm/m = hoogteverschil tussen de punten (mm) ÷ afstand tussen de punten (m)
  2. Rotatie 1:X = 1000 ÷ scheefstand in mm/m, of direct: afstand in mm ÷ hoogteverschil in mm

Reken met de onafgeronde getallen en rond pas aan het eind af. Wie eerst de mm/m afrondt, komt een paar punten naast de 1:X uit.

Een paar ijkpunten om in je hoofd te houden:

ScheefstandRotatieKlasse
Minder dan 3⅓ mm/mVlakker dan 1:300Nihil
3⅓ tot 5 mm/m1:300 tot 1:200Klein
5 tot 10 mm/m1:200 tot 1:100Matig
10 tot 13⅓ mm/m1:100 tot 1:75Groot
Meer dan 13⅓ mm/mSchever dan 1:75Zeer groot

Valt een meting precies op een grens, dan hoort hij bij de zwaardere klasse: precies 1:200 is matig, precies 1:100 is groot. Alleen zeer groot begint pas als het schever is dan 1:75.

Onthoud bij het lezen: hoe kleiner X, hoe schever de gevel. 1:75 is schever dan 1:300.

Uitgewerkt voorbeeld

Een voorgevel van zes meter, drie meetpunten op dezelfde lintvoeg. Punt A is het nulpunt.

PuntAfstand vanaf AHoogte voeg
A0 m0 mm
B3,1 m+4 mm
C6,0 m+19 mm

Per meetvak:

  • A naar B: 4 mm over 3,1 m is 1,3 mm/m. Als rotatie: 3100 ÷ 4 is 1:775. Klasse nihil.
  • B naar C: 15 mm over 2,9 m is 5,2 mm/m. Als rotatie: 2900 ÷ 15 is afgerond 1:193. Klasse matig.

Het meetvak B naar C is maatgevend: dat is de grootste rotatie, en die bepaalt de klasse van deze lintvoegmeting. Matig hoort bij midden risico. Had je alleen A en C gemeten, dan had je 19 mm over 6 m gevonden, 1:316, en dus nihil. Daar zit de waarde van de minimaal drie punten per geveldeel die de richtlijn vraagt: een knik in de gevel zie je pas als je ertussen meet.

Een loodmeting uitvoeren

Bij een loodmeting meet je of de gevel voorover of achterover helt. Dat kan wijzen op een fundering die aan de voorkant anders zakt dan aan de achterkant.

  1. Meet zo dicht mogelijk bij je lintvoegpunten. Dan kun je beide metingen naast elkaar leggen.
  2. Meet de afwijking uit het lood. Zet bijvoorbeeld een waterpas van twee meter verticaal tegen de gevel en meet hoeveel millimeter de gevel boven of onder afwijkt. Een schietlood of laser kan ook.
  3. Noteer de richting. Helt de gevel naar buiten of naar binnen? Schrijf het teken erbij.
  4. Reken op dezelfde manier. Afwijking (mm) ÷ gemeten hoogte (m) geeft mm/m, en 1000 gedeeld door dat getal geeft 1:X.

Voorbeeld: 18 mm over 2,0 m is 9 mm/m. Als rotatie: 2000 ÷ 18 is afgerond 1:111. Dat is matig.

Kijk bij een loodmeting ook naar de gevel zelf. Een gevel kan bij de bouw al bewust of onbewust uit het lood zijn gezet. Past een afwijking niet bij je lintvoegmeting en het scheurbeeld, schrijf dan op hoe je dat weegt.

Van meting naar risico

Elke meting krijgt zijn klasse uit de tabel hierboven. Bij het verkennend funderingsonderzoek horen die klassen bij een risico:

  • Nihil en klein: laag risico
  • Matig en groot: midden risico
  • Zeer groot: hoog risico

Voor het eindoordeel kijk je naar alle indicatoren samen: scheuren, lintvoeg, lood en, als je die hebt, de zakkingssnelheid. Het risicoprofiel stel je als deskundige vast; in de praktijk geeft de zwaarste indicator meestal de doorslag, en je mag onderbouwd afwijken. Hoe dat werkt en wat er na laag, midden of hoog volgt, lees je in het artikel over het fase 0 funderingsonderzoek.

Waar het in de praktijk misgaat

  • Een andere voeg volgen. Spring je halverwege naar de voeg erboven of eronder, dan meet je een laag metselwerk in plaats van een zakking.
  • Over een aanbouw of herstelde gevel meten. Een aanbouw, een nieuw opgemetseld deel of een eerder funderingsherstel gedraagt zich anders dan de rest. Meet dat als een eigen geveldeel.
  • Te weinig punten. Met twee punten mis je een knik in de gevel, zoals het voorbeeld laat zien.
  • Kleine afstanden. Over een korte afstand wegen een paar millimeter meetonnauwkeurigheid zwaar. Kies je punten niet dichter bij elkaar dan nodig.
  • Alleen de getallen. Een meting zonder foto of zonder vastgelegde plek kan niemand herhalen. Dan is je meting over drie jaar niets meer waard.

Wat er in je rapport moet

Je rapport moet zo zijn opgezet dat iemand anders je meting kan terugvinden en narekenen. Neem per lintvoeg- en loodmeting op:

  • Een plattegrond, gevelaanzicht, foto of tabel met alle meetpunten
  • Per meetpunt of meetvak de scheefstand in mm/m en de rotatie in 1:X
  • Welke meting maatgevend is
  • Bij een geveldeel dat je niet kon meten: waarom niet

Werk je met een tabel zoals in het voorbeeld hierboven, dan heb je de basis al. Zet de berekening er per meetvak naast, dan kan een collega of een tweede deskundige het zonder jou volgen.

Veelgestelde vragen

Hoe reken je mm/m om naar 1:X?

Deel 1000 door het aantal millimeters per meter. 5 mm/m is 1:200, 10 mm/m is 1:100 en 14 mm/m is ongeveer 1:71.

Is 1:100 (1 op 100) scheef?

1:100 betekent 10 mm hoogteverschil per meter. Bij een verkennend funderingsonderzoek is dat de grens tussen matig en groot, en beide horen bij midden risico. Pas schever dan 1:75 is de klasse zeer groot en het risico hoog.

Hoeveel meetpunten heb je nodig voor een lintvoegmeting?

Minimaal drie per geveldeel. Meet bij voorkeur bij de bouwmuren en de hoeken van het pand.

Wat is het verschil tussen een lintvoegmeting en een vloerwaterpassing?

Een lintvoegmeting doe je buiten, aan de gevel, en hoort bij het verkennend funderingsonderzoek. Een vloerwaterpassing meet binnen het hoogteverloop van een vloer. Die hoort niet bij de vaste onderdelen van het verkennend onderzoek, dat alleen aan de buitenkant meet, maar sommige inspecteurs doen hem er als extra bij.

Waarom meet je bij de bouwmuren?

Daar meet je het verschil in zakking tussen de dragende delen van het pand. Een punt midden in een gevelvlak kan ook door het metselwerk zelf afwijken.


Je meting snel narekenen? Vul je punten in de gratis rekentool voor scheefstand in en zie per meetvak de rotatie en de klasse.

Sneller keuren en rapporteren?

Kadero schrijft je keuringsrapport terwijl jij inspecteert.

Bekijk keuringssoftware